Op dye Juedengrubben...

 

Nogal wat speculaties doen de ronde over de herkomst van de naam"Jeugrubben"

De mening dat de "Jeugrubben" iets te maken hebben met vroegere Joodse bewoners of een vroegere Joods begraafplaats duikt menig keer op. Toch lijkt dat niet voor de hand te liggen, al was het alleen maar vanwege het feit dat van enige Joodse bewoning, al dan niet langdurig, in het oude Hoensbroek, geen sprake is.

Oud Amstenradenaar Dr. P. Offermans geeft in een van zijn werken: "Toponiemen in Amstenrade" een verklaring voor de naam "Jeu(gd)grubben".

In onze taal zou het oorspronkelijk "Jiegrubbe" geheten hebben, wat een dal met steile helling betekent. De etymologische afleiding wijst naar " jie" en vervolgens naar "joh", wat steil betekent.

Een andere verklaring wordt gegeven door de heer Kooten, afkomstig van Hommert, in het Jaarboek van de vereniging Historisch Schinnen (1989) schrijft hij dat "Jueden Grubben, Judegrubben, Joodgrubben, Jeugrubben, Jeugrubbe" enzovoort samenhangt met het gebruik uit vroeger tijd om bij de dorpen en gehuchten of op andere plaatsen waar dat nodig was, een zogenaamde "yude" te plaatsen.

Een "yude" is een draaiboom of andersoortige hekconstructie, die de gewassen op de velden moest afschermen van de plaatsen waar het vee liep om beschadiging van de gewassen te voorkomen.

Over de Jeugrubben vinden we in de archieven weinig terug. Er stond geen pachthoeve, molen of huis op die plek. Het enige wat we van de Jeugdrubben kunnen terugvinden zijn pachtcon-tracten, belastingafdrachten en dergelijke.

Op 27 september 1543 verpacht Maria van Daver, weduwe van Herman Hoen van Hoensbroek, haar molen in Hoensbroek aan Dederich Moelenmeyster uit Nuth. Bij de verpachte molen hoorde ook een stuk land "op dye Juedegrubben".

Enkele jaren later komen we wederom Maria van Daver tegen, die met haar zoon Joncker Wolter Hoen op 1 oktober 1556 een jaarrente van 6 Brabantse guldens sticht ten bate van de armen in de Hoensbroekse parochie. Die jaarrente diende elk jaar tussen St. Remigius (dat is op 1 oktober) en Allerheiligen (1 november) te worden uitbetaald. De jaarrente van 6 Brabantse guldens was afkomstig uit de opbrengst van een lening, die Maria van Daver verstrekt had aan Johan van Elderen en zijn vrouw Catrijn.

Het gezin Van Elderen gaf voor die lening een stuk land "...aen dye Jueden Grubben" als onderpand.

In de tweede helft van de 18e eeuw worden door de graaf van Hoensbroek pogingen ondernomen in de Jeugdrubben, ergens in de helling tussen de huidige Naanhof en de Jeugrubbenhof, om boringen naar steenkool te doen. Dit was vermoedelijk de eerste serieuze, maar toch nog altijd zeer bescheiden, poging om het mijnbedrijf in Hoensbroek ingang te doen vinden, naar voorbeeld van Kerkrade, waar al sinds eeuwen steenkool werd gedolven. Wegens gigantische wateroverlast moesten de werkzaamheden worden gestaakt.

De Hoensbroekse kasteelheer betaalde in 1774/1775 800 gulden aan een werknemer van het "Berghwerck".

Egidius Slanghen, burgemeester en pionier in de Hoensbroekse geschiedschrijving, beweert dat er rond het jaar 1859 alweer boringen verricht werden, maar blijkbaar is ook dit nooit een succes geweest. De Jeugrubben zijn zeer lange tijd in bezit geweest van de graven van Hoensbroek. De laatste adellijke bezitter van het stuk grond waarop tegenwoordig de "Tuindersvereniging De Jeugrubbenhof" gevestigd is, was Franz graaf von und zu Hoensbroek, die het stuk land tien jaar voor zijn dood, in 1917 verkocht aan de Hoensbroekse landbouwer Frans Curfs.

In 1923 kwam dit grondstuk aan zijn zoon Jozef, die het deelde met Jan Mathijs Curfs uit Hoensbroek. In 1937 verkocht deze het aan mw. M.H.E. Ritzen uit Vaesrade.

Zij verkocht het 22 jaar later wederom door aan de gemeente Hoensbroek, althans voor één vierde deel.

 Frank van Krevel